Het logo van de Antonius Gemeenschap
De vier elementen.

  1. De kleuren
    De kleuren in het logo en op de website verwijzen naar de kleuren van het logo van de landelijke Franciscaanse Beweging waarvan de Antonius Gemeenschap onderdeel is. De kleuren verwijzen ook naar de verscheidenheid van de mensen die er in deelnemen en de verscheidenheid van mensen die we mogen bedienen. Het zijn ook vrolijke kleuren die de pracht van het leven vertolken en schoonheid van moeder natuur.
  2. De Groenmarktkerk
    In het hart van het logo staat de Groenmarktkerk, ons thuis, midden in het hart van Haarlem op een plek waar al meer dan 700 jaar voor de armen wordt gezorgd.
  3. Het Tau-teken
    Voor de Franciscaanse Beweging is het Tau-teken een symbool van zegen en vrede. Het herinnert ook aan het kruis, het teken van verlossing.Veel mensen van de Franciscaanse Beweging overal ter wereld dragen de Tau als herkenningsteken waarmee ze willen uitdrukken dat zij in het voetspoor van Franciscus op zoek zijn naar een wereld van ‘vrede en alle goeds’. Franciscus bracht het Tau-teken aan op huizen, muren en bomen. In een nis in de kluizenarij van Fonte Colombo in het Rietidal is een rood Tau-teken dat Franciscus daar heeft aangebracht. Hij zegende met dit teken en zette het bij wijze van handtekening onder zijn brieven.De geschiedenis ervan gaat terug op de profeet Ezechiël: “Trek midden door de poort, midden door de stad Jerusalem en zet een Tau-teken op het voorhoofd van de mannen die daar aan het huilen zijn uit ellende om de gewelddadigheid die daar plaatsvindt.” (Ez. 9,4)Paus Innocentius III stelde bij de opening van het vierde Lateraans Concilie in 1215 de vernieuwing van de kerk onder dit teken: “De Tau heeft de vorm van het kruis, voordat Pilatus er het opschrift op liet aanbrengen. De Tau is het teken van de mensen, die in hun leven de uitstraling van het kruis laten zien.” Franciscus heeft hierin een oproep herkend voor een pelgrimage van bekering en boetvaardigheid. Hij kan het Tau-teken ook aangetroffen hebben bij de Antoniusbroeders in Rome. Die verzorgden daar de melaatsen in een lazaret. Zij droegen de staf waarvan de bovenkant de vorm van een Tau had. Bovendien droegen ze nog een Tau op hun habijt. De Tau is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet en is daarmee een symbool voor ‘voltooiing’.
  4. Tweede Tau ondersteboven
    De tweede Tau staat op zijn kop. Dit is een verwijzing naar het theologische uitgangspunt dat in het Rijk Gods de lijdende het eerste woord heeft. Niet de sterken of de rijken staan centraal, juist de kleinen en de verdrukten worden door Jezus tot middelpunt gemaakt. Franciscus zette ook de boel graag op zijn kop door in een tijd van een machtige en rijke kerk radicaal te kiezen voor de weg van armoede en dienstbaarheid. Als  Antonius Gemeenschap in Haarlem willen we ons niet klakkeloos conformeren naar wat de maatschappelijke norm lijkt en soms zetten wij de boel ondersteboven om de wereld met andere ogen te bekijken.  De stad Haarlem heeft bijvoorbeeld twee kanten, de rijke prachtige oude ‘bovenkant’ met monumentale panden en pleinen waar jaarlijks vele duizenden toeristen op afkomen en de dure panden voor de rijken, maar ook een rafel-rand, een kant van schrijnende armoede en eenzaamheid. Om die onderkant te tonen is het soms goed om de wereld op zijn kop te zetten.

Het leven van Antonius van Padua

  1. De H. Antonius van Padua werd in 1195 geboren als Portugees in Lissabon. Bij de doop ontving hij de naam Ferdinand, maar die veranderde hij in Antonius toen hij intrad bij de Franciscanen. Zijn ouders vertrouwden zijn opvoeding toe aan de kathedraal van Lissabon, omdat hij graag priester wilde worden, maar reeds op zijn 15e jaar trad hij in bij de augustijner koorheren, die een klooster in de stad hadden. Twee jaar later vroeg hij verlof om naar het klooster Combra te gaan- toenmaals de hoofdstad van Portugal- omdat hij last begon te krijgen van de veelvuldige bezoeken van zijn vele vrienden. Daar wijdde hij zich aan het gebed en de studie en verdiepte zijn bijbel kennis. Hij verbleef al acht jaar in het klooster van Coimbra, toen don Pedro van Portugal in 1220 de relieken van franciscaanse broeders uit Marokko meebracht, die kort daarvoor waren vermoord. Dit gebeuren greep Ferdinand heel erg aan, en hij werd vervuld van een vurig verlangen om zijn leven voor Christus te geven, iets waar hij als koorheer nauwelijks toe in staat was. Toen enkele franciscanen op retraite kwamen naar zijn klooster, opende hij hun zijn hart, en zij deden een goed woord voor hem bij de provinciaal. In 1221 werd hij opgenomen in de Orde van Franciscus.

     a

    Kort daarna kreeg hij verlof om naar Marokko te zeilen om er het evangelie te prediken. Maar hij werd meteen zo ziek, dat hij wel gedwongen was naar Europa terug te keren. Het zeilschip waarop hij reisde werd door een zware storm uit de koers gebracht en zo landde hij in Messina. Toen hij van de franciscaner-broeders daar hoorde dat er een Generaal Kapittel op handen was in Assisi, ging hij daarheen op weg. Het gaat hier om de laatste grote bijeenkomst in 1221, waarbij alle leden van de orde welkom waren. Na afloop van het kapittel vertrokken de broeders naar de kloosters voor welke zij benoemd waren. Antonius kwam terecht in het eenzame eremieten-klooster San Paolo in de buurt van Forli.

    Toen kort daarna zowel nieuwe dominicanen als franciscanen priester gewijd zouden worden, verzamelden alle kandidaten zich in het franciscaner klooster te Forli. Na de wijding verzocht de gastheer een van de gasten om de toepasselijke preek te houden. Vanwege een misverstand had geen van de dominicanen zich voorbereid. Niemand van de franciscanen meende zich bekwaam genoeg om aan het verzoek van de provinciaal te voldoen. Toen werd Antonius gevraagd te spreken, zoals de Geest hem zou ingeven. Eerst was hij wat verlegen en van streek, maar toen hij eenmaal op gang kwam, preekte hij zo welsprekend, zo geleerd en zo ingetogen, dat de toehoorders buiten zichzelf waren. Toen de provinciaal bemerkte hoe begaafd Antonius was, riep hij hem meteen terug uit het eremieten-klooster en zond hem uit om te gaan preken in verschillende gebieden van Romagna, waaronder heel Lombardije viel.

    Behalve de predikatie, kreeg hij ook de opdracht om zijn medebroeders theologie bij te brengen, en dat wel als eerste van de franciscanen. Maar het werd steeds duidelijker dat preken zijn eigenlijke roeping was. Daar had hij ook alles voor in huis: geleerdheid, welsprekendheid, overredingsvermogen, een diepe liefde voor het geestelijk leven en een heldere stem die over grote afstand te verstaan was. Ofschoon hij klein van stuk was en ondanks zijn ascetisch leven aanleg had voor gezetheid, had hij toch een bijna magische persoonlijkheid. Waar hij ook maar verscheen, dromden de mensen samen om naar hem te luisteren. Mensen van allerlei slag kwamen op hem af, en hij slaagde er in om zelfs verstokte boosdoeners en gewetenloze genieters als ook afvalligen terug te brengen tot een oprecht geloof en eerlijk berouw.

    Zijn werkgebied strekte zich uit over heel Noord-Italië en zelfs het zuidelijk deel van Frankrijk. In beide gebieden had de dwaalleer van de Katharen zich verspreid en Antonius’ welbespraaktheid en theologisch inzicht waren van groot nut. Men zegt dat hij van 1224-1226 in Frankrijk gewerkt heeft. Kort na de dood van Franciscus werd hij naar Italië teruggeroepen en werd provinciaal van Emilia of Romagna. In 1226 ging hij in een delegatie mee naar de paus, en hij gebruikte de gelegenheid om hem te vragen van al zijn andere werk bevrijd te worden, zodat hij zich helemaal aan de prediking kon wijden.

    Pas in 1229 kwam hij naar zijn lievelingsstad Padua, van waaruit hij op preekreizen ging. Zijn gezondheid was al langere tijd zorgwekkend, maar in 1231, na een lange prediktour, waren zijn krachten helemaal op. Hij trok zich met twee medebroeders terug in een hutje bij Camposampiero. Al snel lag hij op sterven. Hij wilde graag terug naar Padua. Maar zover kwam hij niet eens. Op 13 juni stierf hij in de kamer van de rector van de arme Clarissen te Arcella, vlak buiten de stad. De rector gaf hem de laatste sacramenten op zijn sterfbed. Toen hij stierf was Antonius 36 jaar, en was hij 21 jaar kloosterling geweest, waarvan elf jaar franciscaan. Nog voordat een jaar voorbij gegaan was, werd hij op 30 mei 1232 heilig verklaard te Spoleto.

    Men zegt wel eens dat een geliefd kind vele namen heeft en zo kan men ook zeggen dat een geliefde heilige vele legenden heeft. Antonius was tijdens zijn leven erg geliefd en er bestaan ontelbaar vele legenden over hem. Hij is bekend geworden als de heilige die meezoekt naar verloren zaken. Die faam stamt af van een legende van zijn verblijf te Montpellier. Daar hield Antonius een voordracht over de psalmen voor zijn medebroeders. Hij had een Psalterium, dat hij had voorzien van commentaren en aantekeningen. De handgeschreven teksten uit de Middeleeuwen waren natuurlijk altijd kostbaar. De prijs ervoor was evenveel als voor een middelgrote boerderij. En de commentaren maakten het boek nog kostbaarder. Op zekere dag bleek het boek gestolen te zijn door een novice die terug wilde naar de wereld, en die het boek wilde verkopen om zichzelf te onderhouden. Zo’n verlies was niet goed te maken en Antonius met zijn medebroeders begon een gebedsoffensief om het boek en de jonge man terug te krijgen. De volgende dag stond deze voor de deur, gaf het boek terug aan Antonius en bad onder tranen of hij toch franciscaan mocht worden. Hij vertelde dat hij onderweg bij een rivier was gekomen, die zo gezwollen was dat hij over de oevers heen stroomde. Hij had dus geen doorwaadbare plaats en er was geen brug in de buurt. Toen was de duivel hem verschenen en had hem aangeboden hem over te zetten, als hij hem het boek wilde geven. Eerst wilde hij hierop ingaan, maar ineens begreep hij de waarde van het boek, maakte een kruisteken en maakte dat hij weg kwam.